Coumarinederivaten
Coumarinederivaten zijn stoffen die een invloed uitoefenen op de bloedstolling door te interfereren met vitamine K, dat voor de synthese van veel stollingsfactoren nodig is.
De belangrijkste toepassing is in de geneeskunde als anticoagulans: om het bloed minder stolbaar te maken. (Ze worden ook vaak (onterecht) 'bloedverdunners' genoemd). Dit is noodzakelijk bij ziekten als longembolie, diep veneuze trombose, hartoperaties en boezemfibrilleren.
Een andere toepassing is als rattengif. Ratten en muizen overlijden enige dagen na het eten ervan door inwendige verbloeding - ook de kleinste wondjes en verrekkingen zijn op den duur fataal. Omdat ze dat pas na zo'n lange tijd doen dat andere ratten de oorzaak van het vergif eten niet meer in verband brengen met het doodgaan, houden de ratten niet op van het vergiftigde aas te eten. Dat komt bij snelwerkende vergiften wel voor.
De belangrijkste in de praktijk toegepaste verbindingen zijn fenprocoumon (marcoumar ®), acenocoumarol (sintrom ®) en warfarine (genoemd naar de Wisconsin Alumni Research Foundation) In Nederland wordt acenocoumarol, in Engeland warfarine veel in de geneeskunde toegepast.
De therapeutische breedte van deze middelen is gering: een beetje teveel maakt het bloed geheel onstolbaar en kan bij de patiënt tot levensgevaarlijke bloedingen leiden. Een effectief tegengif is vitamine K. Veranderingen in de hoeveelheid vitamine K die men (met het eten of door productie door darmbacteriën) binnenkrijgt zorgen voor belangrijke schommelingen in het effect van het middel.
Mensen die deze middelen gebruiken moeten daarom geregeld worden gecontroleerd. In Nederland is de trombosedienst hiermee belast.
De stoffen werden ontdekt doordat koeien die van een partij gebroeide klaver hadden gegeten bloedingen kregen, welk effect uiteindelijk door de coumarinederivaten die zich in het voer hadden gevormd bleek te zijn veroorzaakt.
bron: Wikipedia
