Acetylcholine
Acetylcholine (vaak afgekort tot ACh) is een neurotransmitter, die vooral betrokken is bij de prikkeloverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen. Het actiepotentiaal maakt in het uiteinde van een zenuwcel acetylcholine vrij. Dit acetylcholine diffundeert door de ruimte tussen deze cel en de volgende cel (deze ruimte heet de synaps) en activeert de laatste door zich te binden aan de acetylcholine-receptor. Na activatie hiervan wordt, als dit een tweede zenuwcel betreft, weer een elektrisch signaal opwekt; als het een spiercel is wordt door de receptoractivatie de spiercontractie (samentrekking) geïnduceerd. Na korte tijd wordt het acetylcholine in de synaptische ruimte door het enzym acetylcholine-esterase razendsnel afgebroken tot de metabolieten choline en acetaat dat in de originele zenuwcel weer tot acetylcholine hergebruikt wordt.
Diverse stoffen en farmaca kunnen dit proces op verschillende manieren beïnvloeden:
Agonisten: dit zijn stoffen die de werking van ACh nabootsen, de afgifte van ACh stimuleren of de afbraak van ACh remmen. Bekende ACh-agonisten zijn de zenuwgassen TABUN, SARIN en SOMAN. Hoewel deze stoffen in beginsel de werking van ACh versterken doordat ze de afbraak remmen, werken ze toch op termijn spierverslappend omdat ze een zogenaamd depolariserende verslapping induceren. Daarnaast hebben ze effecten op meerdere andere orgaansystemen. Antagonisten: dit zijn stoffen die de werking van ACh remmen of tegengaan. Belangrijke stoffen zijn atropine en spierverslappers zoals curare en analogen. De ACh-concentratie is hoog in het corpus striatum en de thalamus maar laag in het cerebellum.
Receptoren
Er zijn drie typen ACh-receptoren:
Muscarinische (AChM). Deze zitten veel in de parasympatische eindsynapsen. Nicotinische (AChN). Deze zitten veel in de sympathische en parasympathische ganglia Nicotinische, met receptoren op de motorische eindplaten van skeletspieren (AChNm)
bron: Wikipedia
